Hij was veertig jaar toen hij stierf. Op een ochtend vond zijn vrouw hem in zijn slaapkamer. Ze sliepen met enige regelmaat apart omdat hij vaak slaapproblemen had. Hij had zich opgehangen aan een hoog bevestigde wandradiator. Twee kinderen liet hij na, 7 en 11 jaar oud. In de vooraf gaande maanden had zij hem verschillende keren aangemoedigd om hulp te zoeken, omdat hij vaak neerslachtig was en het op zijn werk – (hij werkte als ingenieur bij een Rijksdienst) – niet echt goed ging. Veel stress, spanningen met collega’s en onzekerheid over zijn baan vanwege een reorganisatie. Hij was een keer naar de huisarts geweest. Die had een verwijzing voor een psycholoog gegeven. Hij had die niet opgevolgd, omdat, zo zei hij, hij geen vertrouwen had in dat praat- gedoe.
De laatste maanden had hij meer dan gewoonlijk alcohol gedronken. Dat had er verschillende keren toe geleid dat hij, vanwege een kater, de volgende dag van zijn werk had verzuimd. Ook sportte hij de laatste tijd niet meer, wat hij daar voor twee keer per week deed. Aan de kinderen ergerde hij zich ook vaker dan gewoonlijk. Een enkele keer was hij zelfs, de aanleiding was onbeduidend, heftig tegen ze uitgevallen. Dit had bij de kinderen tot huilbuien geleid, bij zijn vrouw tot verwijten en bij hem tot schuldgevoelens. Het was bepaald geen toeval dat hij op maandag ochtend in alle vroegte, na weer een ongemakkelijk weekend, veel drank op zondagavond en het vooruitzicht weer naar zijn werk te moeten, een eind aan zijn leven had gemaakt. Daarmee een drama veroorzakend dat ook het leven van zijn vrouw, zijn kinderen en zijn ouders voorgoed veranderde.
Maar hij was in 2009, het jaar van zijn dood, bepaald niet de enige die zo het eigen leven beëindigde. In 2009 maakten 1525 Nederlanders een eind aan hun leven. Althans, dat is het cijfer van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Mijn eigen onderzoeken van een aantal jaren geleden geven aan dat het werkelijk aantal waarschijnlijk zo’n twintig procent hoger ligt. Maar behalve dat de man in kwestie bepaald niet de enige was, was hij ook typerend voor een grote (sub)groep van zelfdoders. Typerend allereerst omdat hij man is – ruim twee derde van de zelfdoders is man. Verder omdat hij ophanging als methode koos – veruit de meest gebruikte suïcidemethode. Vele malen vaker dan springen voor de trein waarvoor de laatste tijd zo veel aandacht is. Hij is ook typerend vanwege zijn leeftijd, veertig jaar. De sterfte door zelfdoding is de afgelopen twintig jaar in ons land, evenals in ons omringende landen zoals België en Duitsland, gedaald, met name in de oudste en jongste leeftijdsgroepen en onder vrouwen. Maar, opmerkelijk genoeg, niet onder mannen en niet in de leeftijdsgroep tussen ruwweg 40 en 55 jaar. Mede als gevolg daarvan is het aantal zelfdodingen in 2009 weer op het niveau gekomen van zo’n kwart eeuwgeleden. Mijn verwachting is dat het aantal de komende jaren verder zal stijgen. De voornaamste reden van mijn pessimisme is dat we veel te weinig oog hebben voor die groep die op dit punt het meest kwetsbaar blijkt: mannen van middelbare leeftijd met psychische problemen, relatie problemen en/of problemen op werkgebied. Waar het gaat om depressie, gevoelens van hopeloosheid en suïcidaliteit gaat de aan dacht in de media en de hulpverlening vooral uit naar jongeren en vrouwen. Voor hen zijn er inmiddels specifieke en aanzienlijk aan tal hulpprogramma’s ontwikkeld, onderzocht en beschikbaar. Voor de groep kwetsbare ‘middelbare’ mannen is er letterlijk en figuurlijk helemaal niets specifieks beschikbaar. Blijkbaar mogen zij van ons wel gaan. Maar zo wordt het natuurlijk nooit wat met de suïcidepreventie in ons land.
Bron: Rene Diekstra in NHD 24-01-2011